Trias Pecuniae: Een samenvatting

Ingezonden artikel: geschreven door Jaco Schipper

Voorwoord

Vorig jaar publiceerde ik een artikel dat ik als mijn magnum opus beschouw: Op weg naar een Trias Pecuniae (Engelstalig). In dit kortere artikel wil ik een toegankelijke samenvatting geven.

In het oorspronkelijke artikel heb ik bewust gekozen voor veel filosofie. Het economische curriculum heeft namelijk alle filosofie vervangen met complexe wiskunde die vervolgens in een vacuüm van ideeën wordt toegepast. Terwijl alle economische leerboeken economische onderwerpen als vraagstuk presenteren met lineaire of formatieve causaliteit, is mijn stelling dat in onze werkelijkheid niet-lineaire causaliteit van toepassing is op verschijnselen als inflatie, het ontstaan van financiële excessen en systeemrisico’s, en het steeds groter worden van welvaartsverschillen. Voor professoren in de ivoren torens van de economische wetenschap was mijn blauwdruk voor een proefschrift bedoeld als een wake-up call: studieboeken in het economische curriculum schieten fundamenteel tekort.

Deze samenvatting is echter een korte versie die het (problematische) gebruik van metafysica in economische theorieën geheel achterwege laat. Dit zou dit perspectief toegankelijker moeten maken voor niet-academici en niet-economen. Mijn stellingname is simpel en eenduidig: het huidige internationale monetaire en financiële stelsel is gebaseerd op een paradigma die de wet vereist elementen van slavernij op te nemen. Dit perspectief gaat over uw vrijheid. Hoe krijgen wij die vrijheid als samenleving weer terug? Niets complex of ingewikkelds. Het enige dat nodig is, is het codificeren van één ultiem eenvoudige spelregel in de wet: verwijder toekomstig inkomen van beleenbaar onderpand in alle kredietovereenkomsten.

Ex scientia pecuniae libertas. Uit kennis over geld volgt vrijheid.

Inleiding

Het perspectief van een trias pecuniae draait om het toepassen van Montesquieu’s trias politica op alle welvaart. Een trias pecuniae bestaat uit de fiscale macht, de monetaire macht en de kredietmacht en wordt gevonden met overheden, centrale banken en alle huizen van krediet. Als conclusie wordt een eenvoudige oplossing geboden voor alle monetaire kwalen van inflatie, financiële excessen en groeiende welvaartsverschillen: door toekomstig inkomen uit de vergelijking van beleenbaar onderpand te verwijderen, kan een drieledige verdeling van welvaartsmachten in evenwicht worden gebracht doordat alle kredietovereenkomsten noodzakelijkerwijs zelf-liquiderend worden gemaakt. Deze regel codificeert de vrijheid van welvaart in de wet, en door zich eraan te houden kan elke maatschappij voorkomen dat het systeem de bevolking  in de maling neemt (“to prevent the system gaming the people”).

Om te begrijpen hoe deze spelregel kan bewerkstelligen dat boeken vol financiële regelgeving niet kunnen, moet men het bankwezen en de boekhoudkundige principes die de creatie van krediet regelen, begrijpen. Met een scherp inzicht hoe krediet precies wordt gecreëerd, is men daarnaast ook in staat te begrijpen dat het huidige financiële systeem niet drastisch kan worden gewijzigd. Het financiële bestel moet blijven functioneren zoals het dat doet totdat het uiteindelijk in elkaar klapt, en voordat het politiek noodzakelijk wordt geacht een nieuw financieel stelsel te beginnen. Het perspectief van een trias pecuniae is bedoeld om iedereen te helpen begrijpen waarom het huidige financiële systeem nergens naartoe gaat en om vooruit te kijken hoe een nieuw financieel stelsel  ingericht zou moeten worden.

Theorieën over de aard van geld en bankieren

Voor niet-academische economen is het nuttig om te weten dat er verschillende scholen voor het economisch denken bestaan (d.w.z. Klassiek, Keynesiaans, Oostenrijks, monetarisme en de evolutionaire benaderingen; elk met varianten). Voor elk van deze scholen is er geen voorgeschreven combinatie van geld en banktheorie. Dit verschilt per auteur en verschilt binnen de diverse denkrichtingen. Desalniettemin, wanneer de economische literatuur over geld en bankieren doorgenomen wordt, dan kan men twee theorieën over geld en drie theorieën over bankieren onderscheiden.

De twee geldtheorieën zijn de commodity en de credit theory of money. Alle andere geldtheorieën kunnen binnen dit spectrum worden geplaatst. Conventioneel stelt de geldliteratuur de kwestie van het geld voor als een keuze tussen privaat of publiek. Ofwel goud of fiat. Een trias pecuniae daarentegen gaat over het insteken van geld als strikt onpartijdig. Zowel de commodity als de credit theory of money zijn verbonden met een van de drie theorieën die het bankwezen en kredietschepping trachten te verklaren: full reserve banking, fractional reserve banking en free banking.

Banktheorieën

Bij full en fractional reserve banking wordt verondersteld dat deposito’s die bij banken op een rekening gestort worden de basis vormen voor alle leningen. Beide theorieën kunnen daarom worden beschouwd als interloanable funds theory en de meeste macro-economische handboeken gaan uit van fractional reserve banking. In theorie wordt gesteld dat geld in deposito’s alleen kan vermenigvuldigen op basis van de reserveverplichting, zodat het totaal aan verstrekte leningen niet groter kan worden dan wat reserves toelaten. Tenzij centrale banken ingrijpen.

Bij full reserve banking zijn leningen strikt beperkt tot wat er in termijndeposito’s wordt aangehouden, terwijl onder fractional reserve banking sprake is van fractionele vermeerdering van leningen als ook maturity transformation toestaat. De derde theorie – free banking – beschouwt deposito’s niet als bron van leningen. In plaats daarvan wordt krediet gecreëerd door beide zijden van de bankbalans te verlengen zonder dat deposito’s of reserves daarbij een beperking vormen voor het mechanisme om krediet te verstrekken (spaardeposito’s of reserves zijn daarbij hooguit een operationele overweging).

Op een bijzonder verhelderende manier was het Richard Werner[1] die in staat was om empirisch aan te tonen welke theorie van bankieren juist is. Door de boekhoudkundige software die banken gebruiken te onderzoeken, slaagde Werner erin sluitend en overtuigend bewijs te leveren: de credit theory of money is correct in zoverre dat het de theorie van free banking bewezen heeft. Banken verlenen krediet door hun balansen te verlengen en een vordering op te nemen aan de activazijde van hun balans en een kredietfaciliteit te creëren aan de passivazijde.

Kennelijk wordt op deze manier krediet uit het niets gecreëerd. Echter, vanuit een boekhoudkundige invalshoek is dit technisch gezien onjuist. Bij het lezen van de credit theory wordt dit punt vrijwel nooit benadrukt, zodat elke student dit punt gemakkelijk kan missen[2], en het volgende is daarom ook zo ongelooflijk belangrijk: alle krediet wordt gecreëerd op basis van het ingebrachte onderpand van een kredietnemer. Anders gezegd: voor elke kredietfaciliteit moeten twee balansen worden verlengd, namelijk die van de kredietverstrekker en die van de kredietnemer. De bank en de schuldenaar.

Beperk onderpand: geen toekomstig inkomen

Vanuit een bank bekeken zal elke kredietfaciliteit door een schuldenaar betaald worden vanuit zijn of haar inkomsten. Echter, vanuit boekhoudkundig oogpunt is er een enorm verschil tussen het extrapoleren van een inkomensstroom in een netto contante waarde en een balansbezitting die in onderpand wordt genomen.

Terwijl een balansbezitting zoals een huis bijvoorbeeld op een korte termijn verkocht kan worden en waarmee de kredietfaciliteit vereffend kan worden, kan een inkomensstroom niet tegen de nominale waarde worden geliquideerd. Waarom? Het is een theoretische waardering van de winst-en-verliesrekening zonder noodzakelijkerwijs hierbij rekening te houden met gevallen van pech. Als automatisch gevolg van een opgeblazen waardering van het onderpand bouwen kredietrisico’s zich op tot systeemrisico’s en leiden ze tot restschulden.

Deze verliezen worden veelal eenzijdig toebedeeld aan schuldenaars, maar nog belangrijker, ze komen noodzakelijkerwijs ook voor rekening van nietsvermoedende derde partijen in plaats dat kredietrisico’s uitsluitend liggen bij de partijen die ze zijn aangegaan. Daar komt bij dat kredietverstrekker en kredietnemer door middel van debt-for-equity swaps verliezen in wederkerigheid kunnen beperken[3], maar vanwege rechtsbescherming die kredietverstrekkers genieten hebben zij prikkels om verliezen te escaleren. Bovendien zijn kredietverstrekkers creatief in het afschuiven van risico’s (denk hierbij aan bail-outs, afstoot van kredietrisico’s van de bankbalans via verkoop van securitisaties, NHG, etc.).

Het fundamentele probleem met een kredietfaciliteit die gebaseerd is op de waarderingsgrondslagen van een inkomstenstroom is dat deze (veel) hoger ligt dan de waarde van de bezittingen waarmee de inkomsten gegenereerd worden. Voor het verlenen van krediet met deze hogere waarderingsgrondslag kan er niet anders dan sprake zijn van een asymmetrische toebedeling van kredietrisico’s. Het verschuift noodzakelijkerwijs kredietrisico’s naar derde partijen en dit is precies waar inflatie van een monetaire oorsprong ontstaat. Die inflatie uit zich als niet in hogere consumentenprijzen, dan wel in hogere waarderingen, en meer in het algemeen in financiële zeepbellen. Inflatie ontstaat in elke kredietfaciliteit die wordt gecreëerd op basis van toekomstig inkomen als onderpand.

Generieke effecten

De generieke effecten van het contant maken van toekomstige inkomsten in kredietovereenkomsten zijn talrijk. Laat hier worden volstaan met een puntsgewijs overzicht en naar het volledige artikel te verwijzen voor een meer uitgebreide uiteenzetting:

  • De procycliciteit van een krediethausse wordt versterkt door [1] een toename van de groep van kredietnemers die bereikt wordt en [2] door een dramatische toename in de hoeveelheid krediet die op deze manier gecreëerd en vervolgens geleend kan worden;
  • Zodra toekomstig inkomen de basis van krediet wordt is er geen theoretische beperking aan de hoeveelheid schuld die gecreëerd kan worden. Vandaar de exponentiële groei van schulden sinds 1971;
  • Kredietrisico’s worden stelselmatig te laag ingeprijsd, er ontstaan financiële excessen en systeemrisico’s en er volgt een misallocatie van reëel-economische productiefactoren;
  • Het leidt tot averechtse prikkels en financiële beloningen voor gespecialiseerd personeel;
  • Korte termijn winsten worden opgeschroefd en genomen en dat gaat ten laste van breed gedistribueerd positief eigen vermogen en ten koste van economische en financiële stabiliteit op lange termijn;
  • Er ontstaan groeiende verschillen in inkomen en vermogen, deels als gevolg van overheidsgaranties;
  • Het introduceert discriminatie van onderpand, met name voor het midden en kleinbedrijf (MKB) omdat hun onderpand juridisch inferieur is aan dat van hypotheekgevers, multinationals en overheid.

Eén kwalitatieve spelregel?

Het hanteren van een ultiem eenvoudige spelregel zou een drieledige verdeling van welvaartsmachten in evenwicht brengen en dat is iets wat in het huidige internationale monetaire en financiële stelsel onmogelijk is geworden.

Instellingen in de sfeer van elk van deze drie welvaartsmachten kunnen momenteel misbruik maken van het mechanisme om kredieten aan te gaan op basis van toekomstig inkomen. Overheden doen dit door het uitgeven van staatsobligaties en het doorrollen van geaccumuleerde staatsschulden, ad infinitum. Alle kredietscheppende instellingen maken gebruik van de kortetermijnvoordelen van private seigniorage of sleischat[4] door krediet te creëren op basis van een opgeblazen waardering van het onderpand. Dit doen ze door hun balans te verlengen tegen technisch  nul kosten. En centrale banken ontzeggen burgers de vrijheid van welvaart door proactief buitenlandse deviezen te hamsteren, zodat ze alleen maar ophopen in plaats van dat deze worden ingezet voor de vereffening van internationale betalingsbalans onevenwichtigheden middels een vlottende goudprijs[5].

Fiscale macht

Wanneer de fiscale macht bij de uitgifte van staatsobligaties toekomstige belastingopbrengsten in onderpand geeft, ontneemt zij de bevolking het budget recht. In elke democratische rechtsorde is het een gotspe om een bijzonder autocratische macht aan een parlement te geven omdat het electoraat geen enkele controle meer kan uitoefenen teneinde budgettaire overschrijdingen te voorkomen. Elke regeringscoalitie wordt in staat gesteld zich een weg naar populariteit te spenderen door de toekomstige belastingopbrengsten van ongeboren generaties in onderpand te geven en uit te geven. Toch kan een overheid nog steeds een staatsobligatie uitgeven om bijvoorbeeld infrastructuur te financieren. Zolang toekomstige belastingopbrengsten uitgesloten worden van het onderpand, is dat niet-inflatoir. Zonder afbreuk te doen aan het individuele budget recht van burgers is het in het publieke belang om de uitvoerende macht niet te verbieden om staatsobligaties uit te geven, zolang dit maar gebeurt op voorwaarden van wederkerige risicodeling met kredietverstrekkers en dit productieve investeringen oplevert met een reëel economisch verdienmodel (d.w.z. wegen, havens, telecommunicatie, gezondheidszorg, onderwijs, etc.).

Krediet macht

Voor de krediet macht is het meest gezegd, maar er zijn nog twee punten die moeten worden gemaakt. Ten eerste, zodra toekomstig inkomen de basis vormt voor kredieten, dan moeten vormen van woekerpraktijken juridisch toegestaan worden. De wet moet op de een of andere manier rekening houden met de rechten van schuldeisers om schuldenaars die in een positie van een negatief eigen vermogen verkeren, daar te houden teneinde hen te verplichten openstaande vorderingen af te lossen. In boekhoudkundige zin roept dit de vraag op: hoe verschilt iemand met een negatief eigen vermogen van een slaaf? Ten tweede is het speelveld voor alle fondsen van positief eigen vermogen niet langer gelijkwaardig. Om het originele papier te citeren: “De mogelijkheid dat banken uit het niets krediet kunnen creëren, bovenop de liquidatiewaarde van bezittingen die in onderpand worden genomen, vermindert de krediet macht van alle andere liquide fondsen. Denk hierbij aan pensioenfondsen, verzekeraars en privaat vermogensbeheer. Beschikbare particuliere gelden, die langzaam gevormd worden en geleidelijk geaccumuleerd zijn tot positief eigen vermogen, moeten plotseling concurreren met krediet dat terstond, en technisch gezien, kosteloos uit het niets gecreëerd wordt”[6]. Een spelregel die toekomstig inkomen uitsluit maakt het speelveld voor alle privévermogens gelijk, terwijl kredietschepping op basis van bezittingen met een bekende reëel-economische waardering mogelijk blijft; vandaar ook de krediet macht.

Monetaire macht

Voor de monetaire macht is er slechts één ding nodig: geef rekenschap aan alle toename (en afname) van basisgeld in omloop aan de hand van een vlottende goudprijs. Een vlottende goudprijs levert de volgende punten op (geparafraseerd uit het oorspronkelijke artikel): een centrale bank en burgers hebben een sociaal contract met elkaar[7]. In termen van koopkracht wordt dit contract alleen onpartijdig en wederkerig gemaakt indien de goudprijs vlottend is. Anders gezegd, een vlottende goudprijs ontneemt een centrale bank het privilege van seigniorage omdat de goudprijs effectief stijgt als de geldhoeveelheid wordt vergroot. De macht van geldcreatie wordt op deze wijze gebroken en geëxternaliseerd. Onder een klassieke goudstandaard stond de goudprijs vast, en was de minister van Financiën formeel de mandaathouder die besloot om een devaluatie of revaluatie door te voeren. De goudprijs was daarmee een politiek decreet, geen vrije marktprijs. Wanneer geld wordt gedefinieerd als een gewicht goud, dan zijn alle goudeigenaren prijsnemers. In wezen is het een manier om kapitaalcontroles te implementeren omdat dit het privilege van seigniorage vergroot zonder enige juridische belemmeringen. Met dit inzicht zou men moeten begrijpen dat een klassieke goudstandaard het probleem dat het probeert op te lossen, opnieuw zou introduceren. Daarentegen, omdat goud niemands verplichting is, heeft het van oudsher gediend als een interne en externe referentiewaarde die het mogelijk maakt om elke binnenlandse of internationale onevenwichtigheid aan te pakken en te vereffenen: ofwel vrijwillig, door internationale onevenwichtigheden van de betalingsbalans in een hoeveelheid goud te vereffenen, ofwel, als alternatief en door het uitblijven van reële kapitaalexport, deze onbalans te vereffenen via een hogere prijs voor goud. Waarom? Omdat buitenlandse deviezenreserves altijd kunnen worden gebruikt om goud te kopen.

Conclusie

Over de toekomst van het internationale monetaire en financiële stelsel wordt vaak gezegd dat het multipolair wordt, en dat kan heel goed zo zijn, maar de belangrijkste taak voor wereldleiders is om het huidige kader te ontdoen van zijn elementaire tekortkomingen. Door toekomstig inkomen uit te sluiten van het onderpand op basis waarvan instituties in de sfeer van elk van deze welvaartsmachten kredietovereenkomsten kunnen aangaan, wordt het speelveld voor alle welvaart van alle mensen gelijkwaardig gemaakt. Het codificeren van de vrijheid van welvaart in de wet is niet alleen het juiste om te doen, voor de gehele mensheid, maar het zou ook een nieuwe wereldorde tot stand brengen die de internationale vrede in alle wederkerigheid bevordert. Een orde die daadwerkelijk catallactic[8] genoemd kan worden omarmt een vlottende goudprijs omdat die “vijanden in vrienden verandert”, iedereen “op gelijke voet toestaat bij te dragen aan de (internationale) gemeenschap”, en een internationale orde van “vrijhandel” tot stand brengt gebaseerd op een spontane en decentrale ordening.

Referenties

[1]      Zie: Werner, R. (2014), “Can banks individually create money out of nothing? — The theories and the empirical evidence”, in: International Review of Financial Analysis 36 (2014), blz. 1-19. Permalink: https://doi.org/10.1016/j.irfa.2014.07.015

[2]      De enige auteur die naar mijn weten dit punt wel heeft gemaakt is Steffen Murau. Zie pagina 9 in: Murau, S., (2018). “Offshore Dollar Creation and the Emergence of the post-2008 International, Monetary System”, IASS Discussion Paper, DOI: 10.2312/iass.2018.009, juni 2018. Permalink: https://dx.doi.org/10.2139/ssrn.3191981

[3]      Voor een toelichting van debt-for-equity swaps, zie: Zingales, L. (2008), “Plan B”. Permalink: http://faculty.chicagobooth.edu/luigi.zingales/papers/research/plan_b.pdf

[4]      https://nl.wikipedia.org/wiki/Sleischat

[5]      Het gedachtegoed dat een vlottende goudprijs voorstaat, is op het internet bekend als freegold. Alhoewel het nog niet formeel in de academische wereld is geïntroduceerd, is het desalniettemin nuttig het bronmateriaal in overweging te nemen. Zie: https://fofoa.blogspot.com/https://www.usagold.com/goldtrail/archives/another1.html

[6]      Zie hiervoor het paper van Jakab, Z. & M. Kumhoff, (2015),“Banks are not intermediaries of loanable funds — and why this matters”. Bank of England, Working Paper No. 529. Permalink: https://www.bankofengland.co.uk/working-paper/2015/banks-are-not-intermediaries-of-loanable-funds-and-why-this-matters. Jakab & Kumhoff benadrukken de onmiddellijkheid van kredietcreatie. Daarbij benadrukken zij tevens de keerzijde want de toegang tot krediet kan tijdens een crash ook terstond tot een halt komen.

[7]      Vertaling: Wim Duisenberg speech over de euro (2002) https://www.geotrendlines.nl/vertaling-wim-duisenberg-speech-over-de-euro-2002/

[8]      Zie voor de woordbetekenis van catallactic: https://en.wikipedia.org/wiki/Catallactics. Er is vooralsnog geen officiële vertaling van dit woord naar het Nederlands.

Afbeelding boven artikel afkomstig van Pictures of Money, beschikbaar onder Creative Commons 2.0

Dit artikel verscheen eerder ook in het Engels

Gerelateerd:

Deel dit artikel:
error: Wilt u dit artikel gebruiken? Neem dan contact met ons op via [email protected]